“Er klopt niets van in mijn hoofd.”
“Waarvan?” Vraagt mijn vriendin aan de telefoon.
“Het is voorjaar. Alles bloeit. Zonnetje aan de hemel. Strakblauwe lucht. Ergens in mij zit een uitzinnig blij meisje door het voorjaar dat ik voel, zie en ruik maar ze kan er niet uit. Want bovenop dat meisje ligt een grote boze smerige wolk. De Corona wolk.”

“Ik snap niet dat je überhaupt nog iets blijs voelt.” Zegt ze terneergeslagen.
“Ja. Toch wel. Dat de wereld zo ziek is klopt in mijn brein niet met de tijd van het jaar. Griep. Longontsteking. Pijn, dood en verderf hoort in mijn gedachte bij koude korte winterse dagen met storm, kapotte verwarmingsketels en rillende kindjes onder dekentjes. Het hoort bij erwtensoep uit de pan schrapen en droge hoest in de vrieskou. Niet bij zingende mereltjes en bloeiende viooltjes in mijn achtertuin.”

Ze moet lachen om mijn gekwebbel.

“Maar ik meen het.” Zeg ik. “Ik wil naar buiten. De hort op met mijn fiets. De wind door mijn haren en de eerste sproetjes van de zon op mijn neus. Al weet ik dat het niet kan en dat het beter is dat ik thuis blijf, het voelt zo raar in het voorjaar.”

We babbelen nog wat. Hebben elkaar al weken niet gezien. Blijven ver uit elkaars buurt vandaan. Ook met anderhalve meter er tussen durven we het niet aan. Allebei een verlaagde weerstand door de darmen die we missen in onze buiken. Chronische ontstekingen, snotneuzen en verdikte klieren spelen ons parten dus nu mijden we elkaar. Al weken. En misschien worden het wel maanden.

“Overmorgen weer even bellen?” Vraagt ze rustig.
“Ja graag. Erg fijn je af en toe even te horen.”
“Zorg je goed voor jezelf?”
“Ja lieverd zal ik doen. Jij ook.”

Ik hang op. Met een brok in mijn keel. Ik mis niet alleen mijn vriendin maar al mijn contacten. Wat was het vanzelfsprekend om mensen om mij heen te hebben. Tot enkele weken geleden. Wat is het angstaanjagend stil zonder mijn vrienden, kennissen, sportievelingen van de sportschool en muzikale maatjes van de muziekvereniging.

Ik struin door mijn tuintje. In alle rust. Pluk hier en daar wat onkruid. Nooit eerder heb ik de vogels zo hard horen fluiten. Nooit eerder was het zo’n mooi en tegelijkertijd triest voorjaar. Nooit eerder hing er zo’n immense, onheilspellende stilte op straat.

X Carlijn

Delen is lief.

Geef een reactie